Tram- en spoorlijnen in de Achterhoek Aan het begin van de twintigste eeuw ontstonden er in de Achterhoek een aantal trambanen, waarvan er drie bedoeld waren voor grensoverschrijdend verkeer.
Van Zutfen naar Emmerich, van Terborg naar Isselburg en van Groenlo naar Bocholt.

Voor de lijn Groenlo-Bocholt bestonden reeds in 1893 plannen, men had een door paarden getrokken tram in gedachten.
Dit vond geen doorgang, maar 10 jaar later kwam er een nieuw plan van de heren Leveber uit Lochem en Pabruwe uit Winterswijk.
Twee banen wilde men aanleggen:

1)Een baan van station Lievelde via Lichtenvoorde en Varsseveld naar Terborg, om daar aan te sluiten op de baan van de G.S.M. naar Doetinchem, en verder via Etten naar Zeddam, om daar op de nog te maken lijn Zutfen-Emmerich aan te sluiten.

2)Een baan van Lichtenvoorde via Bredevoort en Aalten naar Bocholt.

Van de laatste baan verwachtte men veel omdat er toendertijd veel werkverkeer tussen Bocholt en Aalten was.(textiel)

Op 1 december 1905 werd de "Geldersch-Westfaalsche Stoomtram Maatschappij opgericht.
Er werden voor 350.000 gulden aandelen uitgegeven, die voor de provincie Gelderland en de aanliggende gemeentes bestemd waren.

Men besloot een smalspoorbaan met een breedte van 75 cm aan te leggen omdat dit overeenkwam met reeds in werking zijnde banen, zodat men moeiteloos op een andere baan kon overstappen.

Op 2 juli 1908 werd de baan Lichtenvoorde-Zeddam feestelijk geopend.
De baan naar Bocholt kwam pas later klaar, door de intredende krisis liep het werkverkeer naar Nederland erg terug en werd men voorzichtiger.
Pas nadat men een renteloze lening bij de provincie had gekregen werd in augustus 1909 met de bouw begonnen.
Door de overstroming toendertijd bij Bredevoort werd de aanleg nog meer vertraagd, maar op 29 april 1910 werd de baan officieel geopend en enige dagen later werd de tram voor personenvervoer vrijgegeven.
Voor goederenvervoer was de baan toen al enige weken in gebruik.