Opslag van kernafval onder de grond betekent een zwaar bewaakte vesting
bovengronds. Dat blijkt uit een studie van de onderneming van Hattum en
Blankevoort van 1984. In die studie wordt uitgerekend dat voor ondergrondse
opslag van kernafval in een zoutkoepel bovengronds een terrein van veertig
hectare nodig is.
De schachten (toegangen naar de opslagruimte in de zoutkoepel
en zoutlaag) en de daarbij behorende bedrijfsgebouwen worden bij voorkeur
boven bet centrum van de koepel geplaatst.
Op het opslagterrein moeten
goede weg- en spoorwegverbindingen komen. Het bedrijfsterrein wordt omheind
met één of meer hekken en moet 's nachts verlicht worden.
Vanwege de zogeheten 'doelmatige terreinbewaking' moeten er ook camera's
worden opgesteld, terwijl er langs de hekken gesurveilleerd zal worden.
De zware bewaking vloeit voort uit het feit dat het hier om gevaarlijke
stoffen gaat.
Binnen de omheining komen aparte gebouwen voor tussenopslag
van kernafval. In een afzonderlijk gebouw wordt in afgeschermde ruimten
het kernafval behandeld. Daarnaast zijn kantoren voor de Stralingsdienst,
een E.H.B.O- post, een kantine, een eigen elektriciteitscentrale en een
landingsplaats voorhelikopters gepland.
Aparte aandacht gaat uit naar een
loods voor de tijdelijke opslag van zout. Bij de aanleg van de mijn wordt
immers zout uit de koepel weggehaald. Daarna gaat het atoomafval de mijn
in. Omdat dat atoomafval niet de hele mijn vult, moet een deel van het
zout er naderhand weer in als vulling.
Stichting LAKA
