De molen van Bruggers in Dinxperlo.

De molen van Bruggers.

In 1902 kocht J.H.Bruggers uit Zelhem een stuk bouwland in Dinxperlo van bijna 30 are.
Dit lag tussen de Aaltenseweg en de Oranjestraat.
Daar werd zijn molen gebouwd door de Aaltense molenaar ten Have.
Het werd een achtkantige stellingmolen.

In februari meldt de Graafschapbode dat er bij Bruggers in Zelhem een hele inboedel te koop is, hij verhuist dan naar Dinxperlo.
De molen was klaar, want de krant vermeldt:

De ondergeteekende bericht aan het geacht publiek van Dinxperloo en omgeving, dat hij aanstaande maandag zijn molen wenscht te openen, en door een nette en prompte bediening zijne begunstigers waardig te worden.

De vrouw van molenaar Bruggers,Johanna Lenderink, was een gezellige maar ook handige zakenvrouw.
Het huis bij de molen diende ook als smokkelcentrum, waar veel smokkelwaar was opgeslagen.
Ook de douane kwam er veel, ook al was het maar voor de gezelligheid.
De kasten met smokkelwaar werden goed afgedekt en ook de rest werd goed verstopt!
Zij hield de douane wel aan de praat met een lekkere sigaar of drankje.
Ook dat kon men met een gerust hart aan de molenaarsvrouw overlaten.

In 1919 werd de molen, huis en erf verkocht aan Jan ten Zijthoff, koopman te Deventer.
Die verkocht het geheel aan W.G. Takke, fabrieksarbeider en G.J.Takke, metselaar.
Naderhand werden erf en huis aangekocht door de familie Belling.
De molen werd afgebroken, om vervolgens in Usselo weer herbouwd te worden.
De onderdelen vonden per (het toen nog bestaande) spoor hun nieuwe bestemming.
In 1941 werd de molen voorgoed gesloopt.

Bron:Internet molen database.
Ben Maandag.













De Zoerikse mölle in Suderwick.

De Zoerikse molle.

Op de plaats waar nu het meelbedrijf van Hubers in Suderwick is, stond vroeger een stenderkast.
Deze werd ook wel de molen van Venderbosch genoemd.
Een zekere von Post kreeg al in 1663 vergunning om een windmolen op te richten.

Op een kaart uit het midden van de achttiende eeuw is de molen afgebeeld als een stenderkast.
Waarschijnlijk was deze molen ook van belang voor Dinxperlo, maar door het invoeren van de doaunewetten rond 1820 werd het erg moeilijk om grensoverschrijdende handel te voeren.
De bouw van de Teunismolen in 1822 en de Jagerinksmolen in 1823 wijst hier ook op.

Bron:Dinxperlo en zijn bewoners.













De Ressingmölle of Jagerinksmölle in Dinxperlo.

De Ressingmolle of Jagerinksmolle.

Deze molen stond op de plaats waar nu veevoederbedrijf Kemper is gevestigd.
Op de raadsvergadering van 26 juli 1823 werd er gesproken over een ingekomen brief van de Schout van Bredevoort, waarin advies werd gevraagd over een te bouwen windmolen.
Dit verzoek was gedaan door G. Jagerink, die gebruik maakte van een octrooi dat in 1775 aan zijn vader verleend was.
De plaatselijke molenaars werd om advies gevraagd.

Er waren acht eigenaars van een rosmolen en één eigenaar van een windmolen, namelijk Wander Ormel op Teunishuis.
Er waren geen echte bezwaren, maar Ormel die net het jaar daarvoor zijn molen gebouwd had, merkte op:"als Jagerink eerder gebruik had gemaakt van zijn regt, had ik geen molen opgerigt."
De schout kreeg bericht van de raad dat er geen bezwaar was, mede omdat de familie Jagerink sinds 1775 twee zilveren ducatons jaarlijks betaalden voor dit recht.
Op een kadasterkaart uit die tijd wordt de molen getekend met twee rondjes, diameter 26 en 10 meter.
Het was dus een beltmolen.

Na het overlijden van Jagerink, wordt zijn zwager nog eigenaar, vervolgens gaat de molen naar J.H Ressing.
In officiele stukken werd deze molen soms "de Haas" genoemd, maar de namen Jagerinksmolle en later Ressingmolle werden vooral gebruikt.
In 1912 stond de molen al zonder kap en wiekenkruis.
In 1929 werd de molen door ten Have uit Aalten gesloopt.

Molenaar Karel Ressink moest in 1921 zijn molen verkopen om de schulden van zijn zoon te kunnen betalen.
Zoon Johan had een fabriekje aan het Kerkpad, hij had daar behoorlijk in geinvesteerd en had zijn vader bereid gevonden borg te staan.
De zaken floreerden echter niet en het fabriekje werd failliet verklaard.
De schulden bleken zo groot te zijn dat ook vader Ressink werd meegesleurd in het faillissement.

De wieken, en alles wat maar verhandelbaar was, werd verkocht.
Zelfs de zandberg om de molen werd verkocht.
Dit zand leverde een gulden per karrevracht op.
Het huis van timmerman Luimes aan de Terborgseweg werd er mee opgehoogd.

De molen werd verkocht door de advokaat H. J. Verbeek, die later burgemeester zou worden.
De molen werd verkocht aan de hoogst biedende, dit was Kemper.
Vanaf dat ogenblik heette de molen Kemper Molen.


Na de brand bij Agterhof.


In 1923 brak bij de timmerfabriek Agterhof, schuin achter de Kempermolen brand uit.
Ook bij Kemper werd groot alarm geslagen.
De zakken meel werden vlug naar buiten gebracht en de kap werd nat gehouden.
Gelukkig sloeg de brand niet over naar de molen.

Kemper breidde later uit door er een kruidenierswinkel bij te nemen.
Hij probeerde aan klantenbinding te doen door uitstapjes te organiseren.
In de krant in de vijftiger jaren staan advertenties om de mensen te bewegen mee te gaan.



Dat er wel animo voor was blijkt uit de foto's, die onder andere op schiphol genomen zijn.
In die tijd was dat natuurlijk een geweldige belevenis.

Bron:Internet molendatabase.
H.H.Agterhof.
Ben Maandag.













De korenmolen in Voorst.

De Korenmolen in Voorst.

In augustus 1866 vraagt Willem Stapelbroek wonend op de boerderij "Klein Immink"een vergunning aan om voor zijn zoon Bernard een windkorenmolen te mogen bouwen op een stuk land niet ver van de boerderij.
Hij kreeg de vergunning, op voorwaarde dat de molen voor 1 augustus 1867 in werking zou zijn.
Zoon Bernard was enige tijd als knecht werkzaam bij molenaar en winkelier Winterink te 's Heerenberg, maar keerde op 14 november 1868 terug op de boerderij in Voorst, waar hij molenaar werd op de nieuwe molen.

Op 7 april 1899 trouwt zijn dochter Theodora Johanna Stapelbroek met Johannes Hubertus van Hal.
Haar broer Bernardus Gerhardus blijft als moenaarsknecht en rijd ook de molenkar.
"Jannes"van Hal, die van oorsprong timmerman was werd nu molenaar en boer.
In het voorhuis van zijn boerderij welke vlak na de molen werd gebouwd, begon hij in 1905 ook een bierlokaal, wat het begin betekende van het huidige restaurant.

Op 7 januari 1909 kreeg hij een vergunning voor een korenmaalderij met een benzinemotor van 18 pk, zodat hij nu ook in windstille tijden kon malen.
Het geheel werd opgesteld in een kort daarvoor gebouwde schuur (nu feestzaal).
Voor de windmolen betekende de aanschaf van zo'n benzinemotor het begin van het einde.
Met de motor kon men ten alle tijden malen, en deze was ook nog eens veel goedkoper in onderhoud dan zo'n dure windmolen.

Door oorlogshandelingen is de molen zwaar beschadigd zodat deze niet meer kon malen.
Ook is de molen in de jaren 50 door de bliksem getroffen waardoor een wiek afbrak.
Ten slotte laat de familie van Hal uit veiligheidsoverweging op 20 mei 1957 door molenbouwer ten Have uit Aalten de restanten van de wieken, evenals de kap van de molen verwijderen, en de molen van een nieuw dak voorzien.

Bron:Stichting korenmolen Voorst.













De Teunismolen in De Heurne.

De Teunismolen in De Heurne.

De Teunismolen werd in 1822 opgericht door W. Ormel.
Het was toen een beltmolen.
De molen heeft een vlucht van 23,5 meter.
In vroeger tijden heette de molen "De Haan", maar in de volksmond werd de molen al snel de Tönnismölle (Teunismolen) genoemd, naar het dichtbijstaande Tönnishuus.

De molen werd ten oosten van het Tönnishuus gebouwd, midden in een groot heidegebied.
Dit heidegebied was bezit van de geerfden van Dinxperlo.
Het was dus gemeenschappelijk bezit van grondeigenaren.

Toen Ormel in 1822 deze molen begon, was dit de enige molen in Dinxperlo, slechts in Suderwick was een molen.
De zaken liepen dan ook erg goed, dit werd minder toen kort daarna nog twee molens in Dinxperlo in bedrijf werden genomen.
Toch wist Ormel ook toen zijn bedrijf goed aan de gang te houden, in 1856 werd hij opgevolgd door zijn zoon Derk Hendrik.
Toen deze in 1871 stierf, nam zijn vrouw W. Veldhorst het roer over totdat hun zoon Gerrit Willem oud en wijs genoeg was om de molen over te nemen.
Dat was in 1892.

In 1906 komt de molen in het bezit van de familie Heinen, in 1937 is de molen eigendom van de gebroeders Heinen.
De molen wordt gerestaureerd.
In 1986 wordt de Teunismolen verkocht aan de gemeente, waarna er eind tachtiger jaren weer een restauratie volgt.

Deze molen lijkt nogal op de "Hermien", die bij Harreveld staat, waarschijnlijk hadden beide molens dezelfde bouwer of dezelfde ontwerper.
De belt is verdwenen, het is vervangen door een pakhuis.
De firma Heinen doet nog steeds zijn zaken vanaf de molen.

Eigenaren waren:
Wander Ormel (1822 -1830)
Theodora Willemina Broens (1830-1854)
Derk Hendrik Ormel (1854 - 1870)
Willemina Ormel-Veldhorst (1871 - 1892)
Gerrit Willem Ormel (1892 - 1906)
Jan Willem Heinen (1906 - 1937)
Gebr. G.J. en H.J. Heinen (1937 - 1986)
Gemeente Dinxperlo (1986 - 2004)
Gemeente Aalten (2004 - heden).

Bron:Internet molendatabase.













De Kempermolen in Breedenbroek.

De Kempermolen in Breedenbroek.

Hier aan de Molenweg staat sinds 1882 de Kempermolen, een beltmolen.
In dat jaar werd de molen geplaatst door de bekende Varsseveldse molenbouwer Kreeftenberg.
Tot het eind van de zeventiger jaren werd hier nog gemalen.

De Kemper beschuit is nog steeds bekend in de Achterhoek.
In 1975 werd de molen geheel gerestaureerd.
De molen is niet meer in het bezit van de familie Kemper, maar van de "Stichting Kempermolen".
Tijdens de restauratie van 2003 werd onder andere het wiekenkruis vernieuwd.














Belasting op de molen.

De belasting op het gemaal betekende veel verplichtingen voor de molenaar.
Hij mocht zonder dat er een vervoerbiljet bij was geen graan malen.
Wilde iemand een partij graan laten malen dan moest hij eerst naar de ontvanger der belastingen in Dinxperlo om een vervoerbiljet te halen.
Hij moest dan meteen de accijns die er op rustte betalen.

Als bewijs kreeg hij een vervoerbiljet in duplo mee.
Met dit biljet bij zich mocht hij het graan naar de molen brengen .
Bij aankomst op de molen moest een deel van het biljet in de zogenaamde molenbus gedeponeerd worden.
De belastingdienst had deze bus daar geplaatst.
Het andere deel van het biljet bleef bij het te malen graan en na het malen bij het meel.
Bij vervoer naar huis diende dat deel als vervoerbiljet.

Regelmatig kwamen de kommiezen een en ander controleren.
Als er iets niet klopte kreeg de molenaar een bekeuring.
Wanneer de molenaar zelf het graan ophaalde of het meel wegbracht, moest hij dat doen met een open kar of wagen, met daarop in olieverf de naam van de molen en de naam van de molenaar.
Dit was voor de molenaars soms niet te doen, er moesten hele afstanden afgelegd worden om de papieren in orde te krijgen.
Na vele kamerdebatten werd deze belasting op het gemaal in 1856 afgeschaft.














De windmolen in Suderwick.

In 1905 koopt Rudolf Tuente op de Düsseldorfer Messe een uit Amerika geimporteerde windturbine.
Hij wil deze gebruiken om water op te pompen voor zijn bedrijf.
Wanneer in 1935 de molen vernield wordt bij een storm, laat zijn zoon er geen nieuwe meer neerzetten, omdat de watervoorziening inmiddels door elektrische pompen gedaan wordt.
De toren blijft wel staan, nu voorzien van een windvaan.

In 1982 is de staat van de toren dusdanig slecht dat instorting dreigt.
Omdat de toren/windmolen intussen als technisch erfgoed aangezien wordt, krijgt de plaatselijke smid Gerd Teronde de opdracht de windmolen te repareren.
De vaan wordt weer vervangen door een windrad, je kunt de molen nu dagelijks zien draaien.
De doorsnee van het rad is 4,50 meter en de hoogte van de molen is 16,80 meter.

Bronnen:Internet database.
Ben Maandag.
H.H.Agterhof
Wisch en zijn bewoners.
Diverse gesprekken onderweg.